Creativiteit; hoeksteen van kunst en wetenschap
Oedzge Atzema is hoogleraar economische geografie en doet onderzoek naar creatieve economie, creatieve steden en in het bijzonder naar de modesector in Nederland. Hij neemt onder meer deel aan de de onderzoekschool van Geowetenschappen Nethur, the Netherlands graduate school of Housing and Urban Research.
![]() |
'Creativiteit en vakmanschap zijn de drijvende krachten achter goed onderwijs en onderzoek en zouden niet in de verdrukking moeten komen door een te eenzijdige aandacht voor rendement en efficiency'
'Er moeten institutionele barrières worden overwonnen om een creatief idee in de wetenschap erkend te krijgen'
In het kader van het lustrum kwamen vorige week donderdag dertig wetenschappers en kunstenaars van de UU en de HKU bij elkaar om te praten over de betekenis van creativiteit voor kunst en wetenschap. Het onderwerp past in de opzet van het lustrum, want creativiteit vormt een belangrijke schakel tussen Verwondering en Verlichting. De UU hoogleraren Willem Koops (ontwikkelingspsychologie), Marcus Duwell (wijsbegeerte) en Dennis Dieks (natuurwetenschappen) en HKU lector Nirav Christophe (theatrale maakprocessen) hielden een inleiding. "Een positieve waardering van creativiteit ligt in de wetenschap minder voor de hand dan in de kunst", aldus Oedzge Atzema, auteur van dit essay.
Paul Schnabel stelt in zijn diesrede dat Verwondering draait om relevante vragen en Verlichting om juiste antwoorden. Creativiteit speelt een vitale rol bij de verbinding hiertussen. Het lijkt daarom een open deur dat creativiteit niet alleen belangrijk is in de kunst maar ook in de wetenschap. Dat verandert als veertig wetenschappers en kunstenaars bij elkaar komen en vijf uur gaan broeden op dit onderwerp. Dan blijkt de bijdrage van creativiteit niet onomstreden te zijn.
Creativiteit betekent het vermogen iets nieuws te scheppen door gebruik te maken van de eigen verbeeldingskracht. Zo beschouwd is iedereen min of meer creatief. Volgens Willem Koops leert elk kind spelenderwijs creatief te zijn, eerst in de vorm van aanpassing, later als leren. Maar die speelse creativiteit van kinderen heeft volgens Koops weinig van doen met het creativiteitsbegrip in de wetenschap. Kinderen kunnen gemakkelijk associëren, maar moeilijk reflecteren. En in de wetenschap gaat het juist om reflectie. Creativiteit in de wetenschap houdt in dat men nieuwe inzichten verbindt met bestaande kennis. Paradigmawisselingen in de wetenschap zijn zelden uitkomst van creatieve doorbraken, maar meer een kwestie van een lange reeks kleine stapjes. Achteraf bezien zijn dat soms stapjes vooruit, maar vaker stapjes opzij.
De Amerikaanse socioloog Mihaly Csikszentmihalyi ontwikkelt in zijn boek 'Creativiteit; over flow, schepping en ontdekking' (1998) een voor wetenschappers bruikbare kijk op creativiteit. Creativiteit is volgens hem een proces waardoor een symbolisch cultuurgebied (bijvoorbeeld een wetenschapsdiscipline) verandert. Hij verbreedt, evenals Koops, de aandacht van de bron van creativiteit (de mens met een idee, een beeld) naar de acceptatie van creativiteit door de ontvangende omgeving. Creativiteit is geen automatisme. Er moeten institutionele barrières worden overwonnen om een creatief idee in de wetenschap erkend te krijgen. Creativiteit in de wetenschap is gebaseerd op gemeenschappelijke kennis. Vandaar dat creativiteit steunt op gedegen kennis van zaken. Creativiteit 'out of the blue' slaat de plank meestal mis; iets roepen kan iedereen.
Creativiteit is niet louter iets voor genieën. Volgens Marcus Düwell werd de rol van het genie tijdens de opkomst van het verlichtingsdenken in de 17e eeuw geïntroduceerd. Immanuel Kant schreef <CharStyle:bod/italic>Schöne Kunst ist Kunst des Genies<CharStyle:>. Individualiteit en authenticiteit traden in die tijd steeds meer op de voorgrond. Volgens Dennis Dieks groeien juist dan, in die 17e eeuw, kunst en wetenschap uit elkaar. De wetenschap hanteerde een empiristische wetenschapsfilosofie op basis van objectieve feiten en meetresultaten. Voor creativiteit was nauwelijks plaats in de wetenschap, maar in de kunst vierde creativiteit daarentegen wél hoogtij.
Inmiddels is die scheiding weer minder stingent. De belangrijkste natuurwetenschappelijke doorbraken uit de twintigste eeuw hebben wel degelijk te maken met creatieve momenten, zij het dat het vooral om ontdekkingen gaat. Creatieve ideeën in de natuurwetenschappen komen snel tot stand, maar de meeste tijd gaat zitten in het aanbrengen van interne consistentie en empirische toetsing. De natuurwetenschappen hebben daarvoor een krachtig en duidelijk normenstelsel ontwikkeld. De acceptatiegraad van publicaties is in de natuurwetenschappen dan ook veel hoger dan in de sociale wetenschappen. Dieks ziet de natuurwetenschappen bij uitstek als de plaats waar creativiteit gedijt. Of zoals iemand tijden het debat zei: 'wiskunde is bij uitstek een creatieve wetenschap, want alles is er bedacht. De crux is echter de bewijsvoering'. Zonder beperkingen en toetsing leidt creativiteit in de wetenschap tot niets, aldus Dieks.
Creativiteit in kunst en wetenschap heeft sociale betekenis. Düwel haalde in dit verband Nietzsche aan die creativiteit interpreteerde als zelf-uitvinding, waarbij de creator zich de sociale taak toemeet deze zelf-uitvinding niet alleen aan anderen ten voorbeeld te stellen, maar aan anderen op te leggen. Creativiteit wordt daarmee een vorm van machtsuitoefening. Dat zal velen bekend voorkomen, want elk vakgebied heeft zo zijn bekende autoriteiten, inclusief slippendragers. Dit noemt Düwell de problematische kant van creativiteit. In sociale en politieke zin zou volgens hem creativiteit meer moeten betekenen dan het imperialisme van puur individuele zelfverwerkelijking. Het streven naar zelfverwerkelijking is op zich niet het probleem, als het doel maar is om anderen te laten delen in creativiteitsprocessen.
Het gaat bij creativiteit om de wisselwerking tussen persoonlijke gedachten en de naar plaats en tijd verschillende sociaal-culturele contexten. Daarmee isDoor de nadruk te leggen op de interactie van creativiteit wordt het begrip creativiteit gedemystificeerd; creativiteit is niet langer een 'black box' diep verborgen in de geest en verbeelding van kunstenaar en wetenschapper. Volgens Nirav Christophe bestaat de creatieve ontwikkeling in de kunst uit drie fasen: intuïtie, reflectie en reflexiviteit. In de eerste fase draait het om zintuiglijke waarneming waarmee men leert onderscheid te maken. Reflectie is het gebied van de ratio, waar men leert aan de eisen en de regels van de groep te voldoen. Reflexiviteit houdt in dat men de 'strijd' met de groep aangaat door iets nieuws te brengen en dat nieuws op zichzelf te betrekken. Dat nieuwe kan ook een nieuwe interpretatie zijn van iets bestaands. Bij reflexiviteit zijn het subject en het object op elkaar betrokken. Op dit punt verschillen wetenschappers en kunstenaar van elkaar. Kunstenaar identificeren zich veel meer met de door hen gemaakte kunst. Kunstenaars beseffen veel meer dat het resultaat van hun werk uitkomst is van een complexe strijd tussen intuïtie en reflectie en komen daar ook meer voor uit. Wetenschappers laten daarentegen in hun publicaties creatieve onzekerheden weg. Het creativiteitsproces zelf blijft in de wetenschap vaak doelbewust onbesproken.
De maatschappelijke aandacht voor creativiteit neemt de laatste jaren toe. Sociaal economen wijzen op de toegevoegde waarde van creativiteit. Met creativiteit valt tegenwoordig veel geld te verdienen. Naast geld gaat het ook om geluk, want ook een creatieve economie staat in het teken van de zelfverwerkelijking. Of dit allemaal waar is, moet nog blijken. Wetenschappelijk onderzoek op dit gebied staat nog in de kinderschoenen. Feit is wel dat een steeds groter deel van de beroepsbevolking werkzaam is in creatieve beroepen. De Amerikaanse geograaf Richard Florida noemt hen de creatieve klasse. Zijn theorie is betrekkelijk simpel: waar de creatieve klasse woont, vestigen zich bedrijven, worden veel nieuwe bedrijven gestart en neemt dientengevolge de werkgelegenheid toe. De creatieve klasse is volgens hem het vliegwiel van de economie in de creatieve stad, dé plek waar het allemaal gebeurt. Deze redenering zou ook voor Utrecht kunnen opgaan. Onderzoek laat zien dat de stad Utrecht binnen Nederland de grootste creatieve klasse herbergt. Naar analogie van de discussie over creativiteit in kunst en wetenschap kan echter worden gesteld dat de beoordeling van de status van Utrecht als creatieve stad niet gebaseerd zou moeten zijn op de omvang van de lokale creatieve klasse en de creatieve economie, maar op de mate van tolerantie, diversiteit en openheid van de lokale cultuur. Hetzelfde gaat ook op voor de Universiteit Utrecht zelf. Creativiteit en vakmanschap zijn de drijvende krachten achter goed onderwijs en onderzoek en zouden niet in de verdrukking moeten komen door een te eenzijdige aandacht voor rendement en efficiency. Een lokale cultuur gericht op bevordering van creativiteit is van duurzaam belang voor het hoger onderwijs.
Het debat krijgt dan ook zeker een vervolg. De nieuwe faculteit der kunsten pakt de handschoen op en zal voor dit vervolg zorgen. Daarbij zullen ook masterstudenten en jonge onderzoekers worden betrokken.
