‘Wie denk je wie Jan gezien heeft?’
Marjo van Koppen (33), taalkundige
Deze week viel de reis mee: eerst met de trein naar Nunspeet, daarna met de bus naar Giethoorn. “Dat was goed te doen”, zegt Marjo van Koppen, “maar soms ben je voor één enkel interview wel erg lang onderweg, bijvoorbeeld als je een afspraak in Oost-Groningen of in Vlaanderen hebt. Dan kan het behoorlijk vermoeiend zijn.” Doel van de expedities die de ‘jong docent van het jaar’ met regelmaat onderneemt, is het vastleggen van de zinsbouw in ruim vijftig Nederlandse en Vlaamse dialecten. Haar hoop is dat ze door het vergelijken van die taalsystemen meer zicht krijgt op de onderliggende structuur van het Nederlands.
| Chomsky | ||
|
Zij behoort tot de school van Chomsky, de Engelse ‘generatief’ taalkundige die ervan uitgaat dat mensen een aangeboren vermogen hebben om een taal te leren. “Chomsky stelt dat in je hersenen als het ware een sjabloon met taalkundige basisregels ligt te wachten dat vervolgens door elke willekeurige taal kan worden ingevuld. De grote vraag is hoe dat sjabloon er uitziet en wat er nog aan extra informatie nodig is om het met Nederlands te vullen. Wij proberen daar achter te komen door te kijken naar de manier waarop taalsystemen die heel erg op elkaar lijken, bijvoorbeeld dialecten, van elkaar verschillen. Mijn collega Sjef Barbiers vergelijkt wat wij doen met subtiel genonderzoek bij de bèta’s: Als je iets wilt weten over het gen voor oogkleur, dan kijk je bij voorkeur naar de verschillen in het DNA van twee vrijwel identieke fruitvliegjes waarvan alleen de oogkleur verschilt.“ |
|
| Groepsgesprek | ||
| Via onder meer zangverenigingen, gildes en heemkundekringen zoekt Van Koppen in het hele land naar mensen die dialect spreken. “We worden eigenlijk overal hartelijk ontvangen, want mensen vinden het prachtig om over hun dialect te praten. Het probleem is alleen dat ze tegenover ons vaak hun best doen om netjes te praten, terwijl wij dat juist niet willen. Vandaar dat we er vaak een groepsgesprek van maken. We nemen alle gesprekken op de band op en analyseren die later zin voor zin. Ik kijk speciaal naar de zinsbouw. Neem de zin ‘wie denk je dat Jan gezien heeft?’ In sommige dialecten wordt dat ‘Wie denk je wie Jan gezien heeft?’, in andere ‘Wat denk je wie Jan gezien heeft?’ Wat mij interesseert is of ik die vormen ook in andere talen en dialecten terugvind, en of er tussen alle afwijkingen in één dialect een logische samenhang bestaat. Is er om zo te zeggen in het sjabloon in ons hoofd één knop die, als ik hem omdraai, dat hele dialect oplevert? | ||
| Zeelui | ||
|
Naast afwijkingen van streek tot streek kijkt Van Koppen ook naar de ontwikkeling van het Nederlands door de eeuwen heen. “Daarvoor lees ik oude documenten, bij voorkeur teksten van gewone mensen. Hier heb ik bij voorbeeld een boek met brieven die zeelui van de VOC in de zeventiende eeuw naar huis stuurden. Hoe bouwden ze toen hun zinnen op?” Uit alle verzamelde informatie hoopt de onderzoeker meer zicht te krijgen op de basisstructuur van taal in het algemeen en van het Nederlands in het bijzonder. “Ik doe dat uiteraard vooral uit wetenschappelijke interesse, maar de kennis die ik verzamel is op termijn zeker ook praktisch bruikbaar, bijvoorbeeld om sprekende computers beter te kunnen instrueren, of om meer zicht te krijgen op wat er mis is bij mensen met afasie of dyslexie. Dat zou in de toekomst mogelijk kunnen leiden tot goede therapieën. |
|
| Brief van zeeman Reinier Langewagen uit Hoorn, geschreven rond 1660 vanaf een VOC-schip | ||
| Belevingswereld | ||
| Het verhaal van Van Koppen is doordrenkt van het enthousiasme dat zij ook aan de dag legt tegenover die studenten die haar voordroegen voor de titel ‘Jong docent van het jaar’. “Ik probeer altijd aan te sluiten bij hun belevingswereld: wat voor dialect spreek je zelf? Maar met een zo fascinerend vak als het mijne is dat ook niet moeilijk. Ik ben in feite de hele dag bezig met raadsels. Waarom zeggen Belgen ‘d’n deze’ en waarom zeggen ze in Giethoorn ‘dezen’de’? En waarom kan ik dat als Rotterdamse allebei niet zeggen?” Zij kijkt even peinzend voor zich uit, maar vervolgt dan trots: “Wij hebben ook dingen die anderen weer niet kunnen zeggen. Wij zeggen in Rotterdam bijvoorbeeld: ‘ik denk dan we daar geen tijd voor hebben.’ | ||
| Friese trekpaarden | ||
| Erg goed voor de lijn is haar speciale vorm van veldwerk niet, geeft Van Koppen lachend toe. “Iedereen zorgt altijd voor wat lekkers bij de koffie en na een lange treinreis ben je daar ook wel aan toe. Vooral in Vlaanderen is het goed van eten en drinken. Daar word ik vrijwel altijd uitgenodigd voor een warme lunch, meestal met een glaasje wijn erbij.” Maar ook de reizen op zich zijn soms een belevenis. “Wat mij bijvoorbeeld erg goed bijgebleven is, is een interview in Roswinkel in Drenthe. Dat was op een plek waar zelfs geen bus kwam. ’s Ochtends vroeg stond ik nog op een druk station, drie uur later wandelde ik door een volkomen leeg landschap met als enig gezelschap een stel Friese trekpaarden. Geweldig.” | ||
| Auteur: Erik Hardeman | ||