Frits van Oostrom
Een facsimile van 'de Comburgse codex' ligt opengeslagen op zijn bureau. Prof.dr. Frits Pieter van Oostrom bereidt een van zijn laatste Leidse colleges voor over 'Van den Vos Reynaerde'. In januari 2002 maakt de in Utrecht geschoolde en gevormde Van Oostrom zijn rentree in Utrecht als eerste universiteitshoogleraar van de UU. Met hem haalt Utrecht een medievist van klasse in huis, een absolute topwetenschapper. "Ik ga in Utrecht zeker de boer op om mijn idealen te toetsen.
Een Utrechtse collega stuurde hem een felicitatiekaart met daarop de verloren zoon van Jeroen Bosch. Zo voel ik het niet. In Leiden heb ik twintig prima jaren gehad. Ik heb er in alle vrijheid mijn onderzoek kunnen doen en 28 promovendi begeleid. Maar in Utrecht ben ik geboren, studeerde ik Nederlands en promoveerde er. Leiden is een liberale universiteit in de beste zin van het woord. Maar dat liberalisme kan iets laks krijgen: Niets aan de hand, wij zijn Leiden. Wij gaan al een eeuwigheid mee en dat blijft ook zo. Ik houd ervan om met enige regelmaat iets nieuws op touw te zetten, te experimenteren met iets tegendraads. De UU ook: ze heeft het 'University College' opgezet, een initiatief dat toen flink tegen de tijdgeest in ging. In het ontwikkelingsplan van de UU heerst, voor de begrippen van het genre, een weldadige nuchterheid. En zelfs enig calvinisme: woekeren met je talenten in het zweet des aanschijns. Hoewel ik geen calvinist ben, spreekt het ethos mij wel aan. Het waren na twintig jaar Leiden goede redenen om in maart de open vraag aan Veldhuis te stellen: Zou er misschien voor mij een plaats vrij te maken zijn aan de Universiteit Utrecht'?
Van Oostrom (48), sinds 1982 hoogleraar Nederlandse Letterkunde tot de Romantiek in Leiden, is een wetenschapper van internationaal erkende kwaliteit. Zo was hij gasthoogleraar aan de Harvard University en verleende de Katholieke Universiteit Brussel hem een eredoctoraat. In Leiden was hij initiatiefnemer en leider van het prestigieuze onderzoekprogramma Nederlandse Literatuur en Cultuur in de Middeleeuwen (NLCM); voor de uitbreiding van het NLCM tot centrum van toponderzoek kende NWO Van Oostrom in 1995 een van de vier eerste Spinozapremies toe (twee miljoen gulden). Binnen het NLCM-programma verrichtte Van Oostrom zelf onderzoek naar de dertiende-eeuwse schrijver en intellectueel Jacob van Maerlant. Dit onderzoek kreeg zijn synthese in 'Maerlants wereld', dat in 1996 werd bekroond met de AKO-literatuurprijs. Van het boek werden niet minder dan 55.000 exemplaren verkocht.
Site
Het Utrechtse college van bestuur hoefde niet lang na te denken of er een plaatsje vrij was voor Van Oostrom. Vanaf januari krijgt hij in Utrecht alle vrijheid om te werken aan zijn magnum opus, een grote Nederlandse literatuurgeschiedenis van 'Hebban olla vogala' tot aan de boekdrukkunst. Volgens planning is het boek in 2005 klaar. Het wordt een synthese van het onderzoek dat twee generaties medioneerlandici hebben verricht, sinds Van Mierlo in 1950 het laatste gedegen literatuuroverzicht schreef. Sindsdien is er vreselijk veel gebeurd binnen de medioneerlandistiek. Het werk van Pleij, Gerritsen, maar ook van heel veel jongere onderzoekers verdient te worden gehonoreerd in het grote verband van een literatuurgeschiedenis. Hoe langer we wachten, hoe ondoenlijker het wordt.
Qua globale opzet wordt het een traditioneel boek, chronologisch ingedeeld, beginnend bij de oudst gevonden krabbel in het Diets van een verliefde kopiist, tot aan de tijd waarin boeken niet meer met de hand werden geschreven maar gedrukt. Van Oostrom is overigens van plan om het boek te concipieren samen met een internetsite. Dat is heel spannend. De literatuurgeschiedenis heeft als genre een paar grote nadelen. Je moet veel informatie kwijt op een bladzijde en ruimte om te citeren uit literaire werken is er nauwelijks: twee verzen Hadewijch, drie verzen Reynaert. En waar laat je de enorme hoeveelheid secundaire literatuur? Deze problemen kan ik met internet volledig opvangen. Daarbij biedt het extras zoals beeld en muziek (hoe klonk het Egidiuslied?) en desgewenst zelfs allerlei 'fun' voor de jeugd. De site mag niet banaal worden, maar er is een zekere parallel tussen videospelletjes en de ridderromans: de held trekt erop uit en ondervindt veel moeilijkheden. De site wordt vanzelfsprekend voorzien van het laatste nieuws binnen de medioneerlandistiek. Van Oostrom pent een denkbeeldige kop in de lucht: Willems Madoc eindelijk gevonden!
Zitvlees
Drie jaar geleden begon Van Oostrom in Leiden al aan deze literatuurgeschiedenis met de bedoeling het boek daar te voltooien. Het Utrechts universiteitsprofessoraat biedt hem daarvoor de ruimte en concentratie die hij in zijn huidige functie mist. Tekst en tijd zijn broer en zus, hoorde ik laatst de Belgische kardinaal Danneels zeggen. Dat is waar. Wie 'Maerlants wereld' leest, zal vooral twee dingen opvallen: wat weet die man veel en wat is het soepel geschreven. Maar daaraan zijn jaren van investeren vooraf gegaan. De literatuurgeschiedenis die ik hoop te schrijven moet het hebben van lange dagen geconcentreerd werken, van zitvlees. Iedere medievist kent de middeleeuwse voorstelling van de 'vita activa' (ridder te paard) en de 'vita contemplativa' (monnik). Als je die op de moderne tijd projecteert, dan is de academicus de monnik, of hij dat nu leuk vindt of niet. Maar de laatste jaren is de wetenschap extreem gedynamiseerd. We moeten oppassen dat het contemplatieve, het rustige, niet wordt overwoekerd door blits heen en weer geren. Wetenschappers gaan steeds meer lijken op de ridder te paard, alleen is de valk op zijn hand een mobieltje geworden.
Hoewel hij als universiteitshoogleraar boven de faculteiten staat, wil Van Oostrom zich ervoor hoeden om in een vrije baan rond de instelling te gaan zweven. Het is ook niet zijn ideaal om directeur van een groot instituut te worden. Wel om in een tamelijk individuele mix, toegesneden op zijn belangstelling en persoon, een vrije rol te kunnen spelen.. Hoe die rol in het Utrechtse onderwijs er precies uit gaat zien, zal nog worden doorgesproken. Van Oostrom wil absoluut niet de Domstad binnenkomen met een dichtgetimmerd plan. Zeker is dat hij niet alleen richting zal geven aan de nieuwe masters Medieval Studies. In samenwerking met zes Nederlandse universiteiten ontwerpt hij momenteel een landelijk plan voor een masters Medioneerlandistiek. De organisatie zal lastig zijn, maar inhoudelijk kan het zeer interessant worden.De studenten krijgen college van alle prominente vakgenoten, wat een grote vooruitgang is vergeleken met de vaak zuiver lokale verkokering.
Minstens zoveel waarde hecht Van Oostrom aan een bachelorsfase die moet klinken als een klok. Om zijn ideeen over de invulling hiervan te verduidelijken, denkt hij hardop in studiepunten. Pakweg 15 studiepunten, verdeeld over twee semesters. De eerste vijf punten kunnen studenten behalen in een, wat Van Oostrom noemt: vernieuwend, vrij maar allerminst vrijblijvend gesprekscollege over inspirerende voorbeelden. En dan kies ik voor de geesteswetenschappen in meest ruime zin. Ik noem wat helden: Ginsburg, Huizinga, Nussbaum, Auerbach, Gerritsen. Met een groep van maximaal 20 studenten wil Van Oostrom een spannend gesprek aangaan. In een prettige ambiance, vooral niet schools en in de zekerheid dat de studenten de beeldbepalende publicaties ook echt gelezen hebben en zich erdoor laten stimuleren. Ik zit niet te wachten op types die al in week een vragen wat ze moeten weten om het tentamen te halen. Van dat platte consumentisme word ik altijd heel treurig.
Ook gruwt Van Oostrom langzamerhand van academische superspecialisering in het onderwijs. Ter illustratie noemt hij de parabel van Dostojevski over de wereldspecialist op het gebied van het linkerneusgat die met zijn lezingen groot succes oogst. Totdat iemand vraagt: hoe zit het nou met dat rechterneusgat? En dan raakt deze specialist volledig in paniek. Natuurlijk is dit een karikatuur, maar daar zitten we best dicht bij. Ik wil studenten zeker niet allemaal tot wetenschapper opleiden maar wel graag tot intellectueel. Of de studenten het zelf ook willen, merk ik wel. Dat risico neem ik. Hoor eens, ik ben natuurlijk ook een kind van deze tijd: ik stel zo nauwkeurig mogelijke exameneisen vast en deel literatuurlijsten uit. Maar mag het binnen die cao alsjeblieft allemaal wat spannender, vrijer, onorthodoxer? Ik hoop dat mijn colleges studenten van allerlei achtergrond kunnen trekken die zich interesseren voor Nussbaum. Ik ben echt niet zo waanwijs te denken dat ik studenten van Gerard t Hooft weglok. Maar als er een bta zou zijn die iets voelt voor verrijking door de geesteswetenschappen, dan is het mij een eer om hem of haar op mijn colleges te onthalen.
De tweede vijf studiepunten kunnen studenten verwerven in een onderzoeksgerichte werkgroep waar ze de diepte in duiken. Want ook de student die niet voor een wetenschappelijke werkkring kiest, moet weten wat het is om onderzoek te doen, meent de universiteitshoogleraar. Ik heb zo vaak gezien dat ook studenten die matig tot gemiddeld hebben gescoord, verbaasd staan over zichzelf als ze eenmaal aan onderzoek ruiken. Na vier weken kunnen ze niet meer slapen van opwinding omdat hun werkstuk over middeleeuwse bijbelvertalingen ze zo bezig houdt.
Tot slot kunnen studenten voor vijf punten een individueel werkstuk schrijven onder Van Oostroms persoonlijke begeleiding. In deze fase hoopt hij meer voor de vorming van studenten te kunnen betekenen dan hij tot nu toe heeft gedaan. Essentieel is dat de studenten later terugblikken: ik heb wat aan die docent en aan zijn kennis en bevlogenheid gehad. Het klinkt wat ouderwets, maar een goede meester-leerling relatie vind ik enorm belangrijk. Natuurlijk had ik zon relatie met Gerritsen (zijn promotor, red.). Ik denk nog geregeld aan dingen die Gerritsen, vaak in de marge van het zogenaamde echte werk, tegen me heeft gezegd. Bijvoorbeeld dat goed onderwijs per definitie iets van identificatie met de leraar in zich heeft. De beste leerlingen stijgen daar dan weer bovenuit, dat worden geen klonen. En goede leermeesters weten dat te voeden. (De telefoon gaat, zijn zoon Maarten van elf. Ga je naar de bibliotheek, jongen? roept Van Oostrom blij verrast. "Heel goed, is het voor je werkstuk? Mooi. Ben je je pasje kwijt? Leen het maar van je broer.)
Affiniteit
Sinds hij zelf vader is, beseft hij dat de vorming van jonge mensen minstens zo belangrijk is als hun scholing. Tot en met de middelbare school gaat het goed, maar de grootste kansen worden wat dat betreft gemist aan de universiteit. Want daar zeggen we plotseling: wil je wel kiezen tussen Chinees of Japans, Psychologie of Nederlands? Natuurlijk wil ik een goed geschoold arts aan mijn bed hebben. Maar de compartimentering is zo doorgeschoten. Het doel van elke Harvard opleiding is, om behalve getraind te zijn in een bepaald academisch specialisme, ook een 'broadly educated intellecual' te worden. Ik hoop binnen de Letterenfaculteit, maar liefst ook daarbuiten, met collegas van gedachten te wisselen of Utrecht ook buiten University College - rijp is voor iets meer van deze aanpak. Ik ga zeker de boer op om mijn idealen te toetsen.
Hoewel Van Oostrom had aangekondigd niet meer zoveel over Maerlant te willen praten, refereert hij toch zelf geregeld aan de vader der dietse dichteren algader. Hij geeft toe dat hij wel een en ander gemeen heeft met deze dertiende-eeuwse schrijver. De verwevenheid van kunst en wetenschap en het verband tussen geleerde kennis en de popularisering daarvan. Verder vertellen ze allebei graag een verhaal met op zijn minst een impliciete moraal en hebben ze respect voor intellectuele tradities.
Maar beweren dat ik echt weet wie Jacob van Maerlant was, vind ik aanmatigend. Natuurlijk heb ik een grote affiniteit met hem gekregen, keek zelfs tijdens het schrijven van 'Maerlants wereld' door zjn ogen naar de wereld. Ik ben in edelstenen geinteresseerd geraakt omdat hij dat was. Ben naar Voorne geweest omdat hij daar woonde en werkte. Dat is een geweldige verrijking van mijn leven geweest. Maar zijn werk heeft me nooit geemotioneerd zoals Nijhoff dat kan doen. Niet voor niets zeg ik aan het eind van het boek: de dichter van de Reynaert was een grotere kunstenaar. Maar toen ik eens een geschoold acteur uit 'Maerlants werk' hoorde voordragen, emotioneerde me dat wel enorm. Op dat moment besefte ik weer eens dat we de middeleeuwse literatuur vooral niet moeten zien als louter leesboek. We moeten er ook uit durven voordragen, voorlezen! Daarom wil ik in Utrecht dat de studenten het college openen en sluiten met het voorlezen van een favoriet gedicht, modern of oud. Dat klinkt ontzettend ouderwets en ook weer een beetje calvinistisch. Maar het is een mooie traditie. Niet duur ook, om met Reve te spreken, en met een half oog op de hedendaagse universiteit.
Chiara Soldati
'In elk opzicht top'
Volgens prof.dr. Wiljan van den Akker, directeur van het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur (OGC), is de komst van Frits van Oostrom een geschenk uit de hemel. Frits is in elk opzicht top. Vakgenoten nemen hem serieus. Als hij college geeft, hangt iedereen aan zijn lippen. Zeuren doet hij nooit, over de teloorgang van ons cultuurgoed bijvoorbeeld. En dan schrijft hij ook nog eens een boek over Maerlant, wiens werk niet een student Nederlands wil lezen omdat het zo saai zou zijn, en dan wint hij daarmee de Ako-literatuurprijs! En zo iemand krijgen wij, gratis en voor niets van het college van bestuur!
"Of de Letterenfaculteit en met name de medioneerlandistiek in zijn schaduw komen te staan? Welnee. Hij krijgt weliswaar een grote mate van vrijheid om te bepalen wat hij wil doen, maar wat hij gaat doen, wordt wel degelijk ingebed in het OGC. Vandaar dat hij als absolute eis heeft gesteld: Ik kom alleen naar Utrecht als Wiljan en Paul Wackers (hoogleraar historische Nederlandse letterkunde voor 1500 (red.) hun jawoord geven. Het vakgebied van Paul en van Frits bijt elkaar niet. Ze hebben allebei hun eigen niches.
"Daarbij: Frits domineert al jaren de medioneerlandistiek in Nederland. Door zijn vroege benoeming tot hoogleraar, door zijn Pionierprogramma, door zijn Spinozaprijs. Iedereen heeft meegeprofiteerd van zijn Pionierprogramma. Waarom zou er dan nu opeens frictie ontstaan? Als er ergens goed wordt samengewerkt, dan is dat bij de Utrechtse medioneerlandistiek. Hoe de colleges georganiseerd worden, weten we nog niet. Het lijkt me in elk geval onmogelijk dat de colleges van Paul Wackers en zijn collegas leeglopen omdat iedereen bij Frits gaat zitten. Ik denk dat studenten die geinteresseerd zijn in de medievistiek, mede gebruik zullen maken van wat Frits aanbiedt in zijn eigen programma en in het reguliere programma. Ik mag hopen dat we straks een ijzersterk Utrechts masterprogramma Medioneerlandistiek hebben. Dat zal op studenten een enorme aantrekkingskracht hebben.