Wederzijdse inspiratie

Willemijn van der Linden (Taal- en cultuurstudies) en Iris van der Tuin (Genderstudies en Taal- en cultuurstudies)

Door de huidige 'afvinkcultuur' van de Universiteit Utrecht, is elke passie voor het studeren verdwenen, zo beweren studenten Liberal Arts & Sciences Ruben van Hoof en Tim Woensdregt. De rol van de docent is in de eerste plaat een administratieve, en daar waar wel sprake is van kennisoverdracht, is er nauwelijks tot geen gelegenheid tot het stellen van vragen. De universiteit, zo lijkt de suggestie van Ruben van Hoof en Tim Woensdregt, is geen dynamische gemeenplaats van onderwijs en onderzoek, maar een leerfabriek. Laat ons als jonge docenten hierop reageren. Zijn wij aan de universiteit gaan werken om louter 'af te vinken'? Studenten te 'tracken' en politieagentje te spelen? Niet bepaald. Gelukkig is dit dan ook niet de manier waarop wij onze baan invullen of zelfs maar hoeven in te vullen.

Uiteraard besteden we een deel van onze tijd aan het aftekenen van presentielijsten, onderhandeling met deadline-ontduikende studenten, het inspireren van minder gemotiveerden en het invullen van allerhande formulieren. Dit is echter slechts één kant van de medaille. Het samenstellen van readers en docententeams voor grote en kleine cursussen, het maken van relevante powerpoints, het opzetten en redigeren van een nieuw tekstboek, het steeds verder verbeteren van een verplichte cursus en het verzinnen van leuke en nuttige opdrachten: dat maakt het werk van een docent interessant.

Dit werk wordt bovendien alleen dan beloond als blijkt dat de student ook daadwerkelijk iets leert. Het is de student die na een hoorcollege van de mogelijkheid tot vragen gebruik maakt en in discussies het hoogste woord voert, die ons het meest bijblijft. Het is de student die even blijft napraten, ondanks de groepsdruk zo snel mogelijk uit de collegezaal te verlaten, waaraan we afmeten of een college succesvol is geweest. Het is voor een docent steeds opnieuw een uitdaging de studenten bij de inhoud van het college te betrekken.

Laten we concreet worden. Toen Van der Tuin samen met collega Prof. dr. Rosemarie Buikema een nieuw tekstboek samenstelde voor haar cursus 'Gender, etniciteit en cultuurkritiek,' heeft zij de concepthoofdstukken laten lezen aan een groep van 125 studenten. Sommige studenten werden zo enthousiast dat zij niet één hoofdstuk wilden becommentariëren, maar het hele boek in conceptvorm hebben doorgenomen om dit van kritisch commentaar te voorzien. Het gezamenlijke doel van docent en studenten was het maken van een boek dat goed aansloot bij de stand van zaken in het vakgebied èn bij de belevingswereld en interessesfeer van de tweedejaarsstudent. Dit hebben de redacteuren ervaren als één van de meest inspirerende momenten uit hun onderwijscarrières.

Wat we hiermee vooral willen zeggen, is dat onderwijs een gezamenlijke onderneming is, die pas succesvol kan zijn als docent en student er samen iets van proberen te maken. We benadrukken dan ook dat wij ons niet erg herkennen in wat Hoof en Woensdregt noemen 'het demotiverende studieklimaat' van de UU. Die typering lijkt ons te weinig genuanceerd. Noch docent noch student kan aan (enige vorm van) administratie ontkomen. Laten we er dus - met die situatie als uitgangpunt - naar streven samen iets van een cursus te maken. De docent én de student zijn allebei evenzeer verantwoordelijk voor een (on)inspirerende leeromgeving. Zoals de docent tussentijds informeren moet naar de mate waarin het college wordt gewaardeerd, moeten studenten niet schromen feedback te geven aan de docent: wat werkt wel en wat werkt niet? Was een college bijzonder leerzaam en/of inspirerend? En waardoor dan in het bijzonder? Meld het! Op die manier ontstaat een interactie tussen docent en student, die voor beide kanten enkel inspirerend kan zijn. In een volgend college kunnen dan succesvolle aspecten (een goed gestructureerd verhaal, pakkende illustraties, een heldere powerpoint, intrigerende vraagstukken) opnieuw worden gebruikt, en zullen knelpunten zo mogelijk worden opgelost. Met een dergelijke wederzijdse feedback heeft Van der Linden reeds positieve ervaringen.

Concluderend stellen wij dat het organiseren van 'uitstapjes' weliswaar een mooie verdieping kan brengen en het enthousiasme veelal doet vergroten, ons evenwel geen oplossing lijkt om het academisch onderwijs te verbeteren en persoonlijker te maken. Dergelijke activiteiten lijken met ons meer iets voor de studievereniging. Wederzijdse inspiratie lijkt ons te vinden in een samenwerking tussen de docent en studenten. Aldus worden beide partijen 'serieus' genomen, en wordt er - als het goed is - ook nog iets geleerd.