Reactie Gerda Croiset

In het artikel Echte studenten studeren niet (Ublad, 7 februari 2008) betogen Ruben van Hoof en Tim Woensdregt dat de passie voor het studeren ontbreekt bij huidige studenten. Ze hebben een fraaie film geproduceerd met in de hoofdrol Sjors, een zeer gemotiveerde student, aan wie elke docent dolgraag onderwijs zou willen geven. Het is de moeite waard en leuk om de film te bekijken. Toch pakt de film een serieus probleem aan, nl. die van de gedemotiveerde student. De oplossing hiervoor zoeken zij bij de docent: docenten moeten hen stimuleren het beste uit zichzelf te halen, moeten hen voeden met concrete aanvullingen op de stof, moeten studenten stimuleren tot extracurriculaire en leuke activiteiten. Om ervoor te zorgen dat deze extra activiteiten kunnen worden uitgevoerd, moet er geld beschikbaar worden gesteld.

Het doet deugd dat de discussie -die op veel plaatsen binnen en buiten de Universiteit Utrecht wordt gevoerd- wordt opgepakt door de studenten zelf. Ik geef veel onderwijs, ben examinator, opleidingsdirecteur, onderwijshoogleraar en voorzitter van de onderwijsadviescommissie van de UU. Het onderwijs gaat mij aan het hart en zo ook de gemotiveerde student. Het probleem van de gedemotiveerde student en daarmee ook studierendementen en erger studie-uitval leeft, niet alleen in het Utrechtse, maar ook landelijk. Graag zou ik aan het betoog van Van Hoof en Woensdregt, zonder overigens compleet te willen zijn, het een en ander willen toevoegen en daarnaast een nuance aanbrengen. Het probleem van de gedemotiveerde student zou ik willen terugbrengen naar de juiste proporties. Ik zou u op de hoogte willen brengen van een aantal mooie initiatieven van de UU die juist bestemd zijn om studenten te motiveren en mogelijkheden aan te bieden om het beste uit zichzelf te halen. Tenslotte zou ik u willen informeren over het advies van de Onderwijsraad aan de Minister van Onderwijs hoe studie-uitval voorkomen zou kunnen worden en in het kader hiervan een uitstap willen maken naar de diesrede 2008 van de Universiteit Leiden.

Allereerst zou ik de 'gedemotiveerde student' wat nader willen typeren.

De 'gedemotiveerde student' is er, dat lijdt geen twijfel. Maar het gaat gelukkig om een deel van de studenten: zo hebben we bijvoorbeeld bij geneeskunde de ervaring dat zeker 65 % van de studenten hun studie serieus neemt en niet tot deze categorie behoort en hen doet de typering 'gedemotiveerde student' dan ook onrecht aan. Daarnaast treedt dit probleem met name op tijdens de bachelorfase; naarmate studenten zich meer specialiseren blijken ze vaak veel gemotiveerder.  

Van Hoof en Woensdregt zien vooral een taak weggelegd voor docenten om de studenten passie bij te brengen en stellen meer contact tussen student en docent voor. Daarnaast vinden zij het belangrijk dat de docent bevlogen en met pakkende voorbeelden het college betekenis moet geven. Ik deel de mening van Van Hoof en Woensdregt dat colleges boeiend moeten zijn. Ik zou hier aan willen toevoegen dat de eerlijkheid gebiedt dat het voor ons niet altijd makkelijk is om zonder geroezemoes de missie te volbrengen. Dit, ondanks de vele scholingsprogramma's die we aan de Universiteit Utrecht gevolgd hebben.

Naast het professionaliseren van docenten gebeurt er veel meer. De universiteiten en zeker de UU doen hun uiterste best om beleid te formuleren dat erop gericht is om jonge mensen te motiveren door een goede en interessante opleiding aan te bieden en studenten die extra uitdaging zoeken, ook werkelijk iets extra's te bieden. De overgang van voortgezet onderwijs naar de universiteit wordt bij veel opleidingen, en vanaf volgend jaar bij alle opleidingen, begeleid door tutoren. Daarnaast is er een bindend studieadvies dat antwoord moet geven op vragen als: heeft de student de juiste keuze gemaakt, kan en wil hij het? Het eerste (voorlopige) advies wordt al binnen vijf maanden na de start van de opleiding gegeven, zodat aan deze vragen tijdig aandacht besteed kan worden. Voor studenten die iets meer willen, heeft elke faculteit een of meerdere honoursprogramma's. Om kleinschaligheid ook in een grootschalige opleiding te realiseren heeft de opleiding Psychologie Freshman Colleges ingericht.

De maatregelen bij de UU en elders ten spijt is er toch zeker iets aan de hand. Dit wordt ook landelijk onderkend. Op 10 januari j.l. bracht de Onderwijsraad zijn advies Een succesvolle start in het hoger onderwijs uit aan de minister van Onderwijs. Opvallend is, zo blijkt uit het rapport, dat 25% van de studenten na een jaar studie switcht. Uiteindelijk zal 4% van deze studenten stoppen met hun studie. Voor de hand liggende maatregelen, zoals toename van het aantal contacturen blijken geen effect te sorteren ten aanzien van studieprestaties en studie-uitval. De enige voorspeller is dat studenten met een relatief laag centraal schriftelijk eindexamencijfer gemiddeld minder succesvol zijn in hun studie. Onderzoek heeft uitgewezen dat de Nederlandse student minder inzet vertoont dan die in de ons omringende landen (Vlaanderen, Duitsland en Frankrijk). Groot is zelfs het verschil in gemeten ambitie: rond 30% van de Nederlandse studenten vindt het belangrijk om goede studieresultaten te behalen tegen meer dan 60% in Duitsland en Frankrijk. Een van de adviezen van de Onderwijsraad is bevordering van sociale binding door kleinschaligheid en herziening van de studentenhuisvesting (wonen op de Campus, zoals bij het University College Utrecht).

Interessant in relatie tot switchen is de diesrede 2008 van de Universiteit Leiden. Deze is getiteld "de Jeugd van Tegenwoordig" en werd vorige week uitgesproken door de ontwikkelingspsycholoog Westenberg. De rede is gewijd aan o.a. recente bevindingen in de ontwikkelingpsychologie van adolescenten. Het volwassen uiterlijk van 18-24 jarigen doet niet vermoeden dat hun brein op psychosociaal en cognitief niveau nog volop in ontwikkeling is. Dit wordt niet alleen ondersteund door gedragsobservaties, maar is recent ook aangetoond met behulp van functionele MRI's (hersenscans). Het zelfinzicht, de identiteitsvraag "wie ben ik en wie zou ik kunnen en willen zijn" komt als laatste. Westenberg stelt dat de studiekeuze in deze fase ontzettend moeilijk is en het hem niet verbaast dat om die reden zoveel studenten switchen.

Van Hoof en Woensdregt hebben geconstateerd dat de gedemotiveerde student een symptoom is van de   afvinkcultuur onder studenten. Graag zouden we helemaal geen gedemotiveerde studenten meer willen hebben, laat staan een afvinkcultuur. Waarschijnlijk zullen de talrijke initiatieven om studenten een interessante studie op maat aan te bieden, tijd nodig hebben om zich te bewijzen, zoals bijv. de honoursprogramma's en moeten we daar het effect van afwachten. Het is niet duidelijk wat nu precies de oorzaak is van de demotivatie. Ik zou de studenten willen uitnodigen om na te denken of alleen het onderwijsstelsel hier debet aan is, of dat er andere bijvoorbeeld maatschappelijke oorzaken zijn, die hier aanleiding toe geven of moeten we er toch wat steviger tegen aan en zijn we te tolerant voor sommigen?

Ik hoop dat we met zijn allen kritisch blijven, en blijven nadenken over oplossingen en dat over 3 jaar een stuk Van Hoof en Woensdregt in het U-blad verschijnt met de titel "Echte studenten studeren" met een film met allemaal Sjorsen.

De onderwijsadviescommissie van de UU buigt zich op dit moment ook over deze thematiek. Ik stel reacties en suggesties zeer op prijs.

Prof. Dr. Gerda Croiset
(g.croiset@umcutrecht.nl)