Erflater

Frederik Carel Gerretson (1884 - 1958)

Na de handelsschool in Rotterdam had, de in zijn jeugd melancholische, Gerretson moeite met zijn beroepskeuze. Hij volgde de militaire academie in Breda, bestudeerde de klassieke talen, vertrok halsoverkop naar Amerika en Mexico, ging bij terugkeer in Europa sociale wetenschappen studeren in België en werkte ondertussen nog enigszins mee in de verfwarenfabriek van zijn vader. Hoe merkwaardig de familie was blijkt uit de anekdote in het boek Utrechtse herinneringen (Uitg. Van Oorschot, 1983) van A. Alberts, een student van Gerretson: "Coops had eens de boeken moeten controleren van de firma Gerretson. De firma bestond uit de oude heer, de latere professor en diens jongere broer Sierk. Meneer Coops kwam de kamer van de directie binnen en hij zag daar achter een tafel de drie firmanten zitten. Het bijzondere was, dat ze alledrie een theemuts op hun hoofd hadden. De oude heer zei: 'Ja Coops, wij Gerretsons kunnen alleen maar goed denken als we een warm hoofd hebben'."

In 1913 werd Gerretson adjudant-commies aan het departement van Koloniën, speciaal belast met de oliewinning in Nederlands-Indië. Vanaf 1917 verbond H. Colijn - de latere 'crisisminister' maar toen directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij - hem aan zijn bedrijf. In 1925 werd Gerretson vanwege deze oliefirma benoemd tot bijzonder hoogleraar in de Geschiedenis van Nederlandsch-Indië, sedert 1936 op aandrang van de historicus Pieter Geyl uitgebreid met de leerstoel constitutionele geschiedenis.

Geyl en Gerretson kenden elkaar van de 'Vlaamse Beweging'; zij waren aanhangers van de 'groot Nederlandse gedachte', het idee dat niet landsgrenzen een volk afbakenen, maar dat vanwege taal- en cultuurovereenkomsten die landsgrenzen overschreden moeten worden. Na 1945 bekoelde de vriendschap tussen de PvdA'er Geyl en de CHU'er Gerretson. Hun meningsverschillen werden veelal uitgevochten tijdens promotiezittingen, vertelde de Utrechtse historicus J.C. Boogman, "over de ruggen van de promovendi heen." De dove Gerretson had daarbij de gewoonte om, na het stellen van zijn vraag, zijn gehoorapparaat uit te zetten. Tussen 1952 en 1956 nam Gerretson zitting in de Eerste Kamer voor de CHU.

De faculteit waaraan Gerretson was verbonden heette in de volksmond 'de Oliefaculteit'. Ze was in Utrecht gevestigd door de Olie-industrie, alstegenhanger voor de Leidse 'indologen-opleiding'. Er werden Indische bestuursambtenaren opgeleid, met vakken als 'overzeese geschiedenis', 'adatrecht', volkenkunde of 'oosterse talen'. De Leidse faculteit was te liberaal, te veel: 'Indië los van Holland', vond de Olie-industrie. In Utrecht werd daarom een meer conservatieve indologen-opleiding gecreëerd. Gerretson bijvoorbeeld vond het een roeping en historische taak van de kolonisator om 'te heersen'. In 1950 werd de Oliefaculteit opgeheven.

Opus magnum van Gerretson als hoogleraar was zijn driedelige Geschiedenis der Koninklijke, verschenen tussen 1932 en 1941. In 1973 werden uit zijn nagelaten papieren nóg twee delen samengesteld. Daarnaast verwierf hij faam als dichter, onder het pseudoniem Geerten Gossaert. Voor zijn wetenschappelijk werk én zijn dichtbundel Experimenten ontving hij in 1950 de Constantijn Huygensprijs.

AH

Verschenen op 25-11-1999 in U-blad 14 (31).