column

Burgerschap

Ik vloek hardop als maandagochtend zeven uur de wekker gaat. Mijn stage is afgelopen en vandaag moet ik voor het eerst weer naar Amsterdam om met mijn studiegenootjes te praten over de drie maanden die achter ons liggen en om weer colleges te volgen. Voor wie het na de niet opgeschreven vloek nog niet begreep: daar heb ik dus geen zin in. Hoewel ik blij ben dat mijn stage bij de Volkskrant ten einde is, benaderde die periode wel wat ik wil: schrijven om gelezen te worden, (iets wat ik op deze plaats ook doe, alleen moest ik bij de krant wat meer bronnen raadplegen dan enkel mijn eigen geest).

Voor mijn opleiding ga ik nu weer stukjes schrijven zonder doel. Dat mag ik als hardwerkende, ambitieuze student die beter wil leren schrijven natuurlijk niet zeggen, maar zo voelt het wel. Tenzij ik de energie kan opbrengen 23 verschillende media op te bellen om te vragen of ze mijn stuk ook zo vreselijk goed vinden en behoefte voelen het te plaatsen tegen een geringe vergoeding, lezen alleen mijn docent en een paar medestudenten mijn verhalen.

Toen ik twee jaar geleden afstudeerde in Utrecht wilde ik nog dat het studentenleven oneindig zou zijn. Ik was gesteld op de vrijheid die ik had, het zelf bepalen wel of niet naar colleges te gaan, en op het feit dat niets hoefde. Ik keek uit naar de vele studiejaren die mij tegemoet lachten.

Twee jaar later denk ik daar anders over. Het liefst wil ik niet meer nadenken over hoe ik vanaf september zonder werk, ov en lening in vredesnaam rond moet komen, maar er gewoon voor zorgen dat ik voor mezelf kan zorgen door stukken te schrijven die worden gelezen. Ik dacht niet dat ik het ooit zou zeggen, maar nu doe ik dat dan toch: ik ben er klaar voor om burger te zijn.

Mirjam Streefkerk

Verschenen op 14-06-2007 in Ublad 31 (38).