Een universiteit met lef en durf

Uit tal van ranglijsten blijkt dat de UU in ons land tot de top hoort op researchgebied. En ook in de jaarlijkse Elsevier-enquête onder hoogleraren komt de UU steevast als beste universiteit uit de bus. Is dat louter toeval, of 'heeft' de UU iets wat andere universiteiten missen, vroeg het Ublad een aantal gezaghebbende Utrechtse wetenschappers en alumni.

Toen Ronald Plasterk in 2000 van Amsterdam naar Utrecht verhuisde, werd menig wenkbrauw opgetrokken. Wat bewoog de excellente ontwikkelingsbioloog ertoe om het gerenommeerde Nederlands Kanker Instituut in Amsterdam te verruilen voor 'de provincie', zoals zijn collega Piet Borst hem pesterig toevoegde? In het Ublad diende Plasterk zijn leermeester subtiel van repliek door uit te leggen dat er in Nederland voor het werk dat hij wilde gaan doen geen betere plek was te vinden dan De Uithof. Niet alleen waren daar vijf van de vijftien groepen uit de landelijke toponderzoekschool 'Biomedische Genetica' gevestigd, ze bevonden zich ook nog eens allemaal op loopafstand van elkaar.

In het antwoord van Plasterk valt vooral zijn waardering op voor de concentratie van biomedische onderzoekers in het toen net opgerichte Academisch Biomedisch Centrum (ABC). De oprichting van dat samenwerkingsverband van vijf toenmalige faculteiten is inderdaad van groot belang geweest voor het biomedisch profiel van Utrecht, bevestigt decaan Albert Cornelissen van Diergeneeskunde. "Het ABC bood ons de mogelijkheid om ons geld te sluizen naar die gebieden, waar we het met de beste kansen op resultaat konden inzetten. Daarbij is gelukkig niet gekeken of we er allemaal wel precies evenveel uithaalden als we erin stopten. In feite heeft Diergeneeskunde onderzoek van Geneeskunde en de bèta's meegefinancierd, maar het aardige is dat niemand bij ons zich daar druk over maakt. Het ABC heeft Utrecht een reputatie bezorgd als centrum van fundamenteel biomedisch onderzoek en daar profiteren wij ook van. Die reputatie heeft al verschillende toppers doen besluiten om naar Utrecht te komen, iets wat ze anders lang niet allemaal gedaan zouden hebben."

Kernen van toponderzoek

Het ABC is in feite een schoolvoorbeeld van Focus en Massa avant la lettre en in die zin staat het in een typisch Utrechtse traditie, want als iets het Utrechtse onderzoeksklimaat van de afgelopen veertig jaar kenmerkt, dan is het volgens emeritus-hoogleraar sociologie Henk Becker dat al vroeg is ingezet op het vormen van kernen van toponderzoek. "Ik was al in 1970 lid van een universitaire commissie die nadacht over het toekomstig wetenschappelijk onderzoek door de UU. Deze informele commissie nam als uitgangspunt dat de wetenschapsbeoefening aan Nederlandse universiteiten steeds meer de trekken van de wetenschapsbeoefening in de Verenigde Staten zou gaan overnemen."

Binnen zijn eigen vakgebied herinnert Becker zich een conferentie in 1973 waarin de deelnemers vrijwel unaniem meenden dat de wetenschapsbeoefening in Utrecht op Amerikaanse leest geschoeid moest worden. "Uitgangspunt was dat sterke hoogleraren een patronagesysteem om zich heen moesten opbouwen met daarin strakke discipline en contacten met soortgelijke kernen in binnen- en buitenland. In die tijd zijn binnen de sociologie twee groepen gevormd, waaruit later de ook nu nog zeer invloedrijke Utrechts-Groningse onderzoekschool ICS is ontstaan. Al met al was er dus al in de jaren zeventig sprake van een duidelijke drive naar wetenschappelijk presteren volgens het Amerikaanse model, die naar mijn mening in Utrecht eerder en sterker dan elders invloed heeft gehad."

Ruim vijftien jaar later was het initiatief van rector-magnificus Hans van Ginkel om in Utrecht vijftien interfacultaire zwaartepunten van onderzoek te vormen, een nieuw bewijs dat Utrecht zich nadrukkelijk als researchuniversiteit wenste te manifesteren. Met dat beleid liep de UU niet alleen landelijk voorop bij de vorming van landelijke onderzoekscholen, het college maakte zo ook zichtbaar dat het Utrechtse onderzoek ondanks de desastreuze bezuinigingen van de jaren tachtig op tal van gebieden een stevig woordje meesprak.

"Rond die tijd begon in Utrecht een mentaliteitsomslag plaats te vinden", analyseert hoogleraar universiteitsgeschiedenis Leen Dorsman. "De typisch Utrechtse 'weg-met-ons mentaliteit' begon eind jaren tachtig onder invloed van Van Ginkel en collegevoorzitter Jan Veldhuis plaats te maken voor wat meer lef en durf, eigenschappen die vroeger eerder bij onze concurrenten te vinden waren. Het had te maken met uitstraling en met de bereidheid om te investeren, niet met roepen wat je wilt zijn, maar met tonen wat je bent. De vaak gedurfde architectuur van de Uithof is daar een voorbeeld van, maar ook de onderzoekszwaartepunten waarmee Van Ginkel de UU nadrukkelijk op de kaart heeft gezet als belangrijk centrum van fundamenteel onderzoek. In die zin heeft CvB-beleid dus wel degelijk invloed."

Nadruk op excellentie

Een reputatie als researchuniversiteit staat of valt met beleid dat research faciliteert, beaamt psycholoog Marcel van den Hout, die Maastricht drie jaar geleden voor Utrecht verruilde. "Ik zou niet zonder meer durven stellen dat de Universiteit Utrecht dé topuniversiteit van Nederland is, maar sinds ik hier ben is mij wel opgevallen hoe consistent hier beleid wordt gevoerd om goede mensen binnen te halen en te houden. Dat gebeurt met grote lef en voortvarendheid. Zodra een talentvolle uhd een aanbod krijgt om elders hoogleraar te worden, wordt er hier iets voor hem of haar geregeld. Of er nou een plaats is of niet, we stellen zo iemand gewoon aan en we zien wel hoe we het regelen. En dat terwijl het hier vergeleken bij andere universiteiten echt geen vetpot is.

"Wat me hier ook opvalt is de sterke oriëntatie op de tweede geldstroom, met onder meer presentatietrainingen voor Vici-kandidaten en het stimuleren van interdisciplinaire samenwerking in bijvoorbeeld het High Potential Programma. Het gaat niet alleen om die zaken op zich, maar vooral ook om het signaal dat ermee wordt afgegeven dat excelleren in Utrecht belangrijk wordt gevonden. Natuurlijk was dat ook in Maastricht het geval, maar hier is die nadruk wel heel erg groot. Zeker voor een zo brede universiteit als de Utrechtse, waar het gevaar groot is dat alles naar de middelmaat tendeert, is dat heel belangrijk."

Hoogvlakte met pieken

Toch kan die breedte ook een factor zijn die de hoge Utrechtse positie op ranglijsten bevordert, denkt hoogleraar informatiekunde Sjaak Brinkkemper, die eerder in Nijmegen, Twente en aan de VU werkte. "Na de drie Technische Universiteiten hebben wij de grootste informaticagroep van het land. Dat geeft Utrecht een landelijke uitstraling die ons voor excellente onderzoekers erg aantrekkelijk maakt. Een bijkomend voordeel voor mijn vakgebied is bovendien dat in Utrecht veel hoofdkantoren van grote automatiseerders gevestigd zijn. En vergeet ook de ligging niet. Ik ken mensen die voor een hoogleraarschap in Groningen bedanken en liever uhd in Utrecht blijven, omdat ze dan niet naar Groningen hoeven te verhuizen."

Ook hoogleraar Biofarmacie Mark de Boer ziet een relatie tussen de breedte van de UU en het succes in diverse rankings. "Ik heb met verschillende universiteiten te maken en eerlijk gezegd heb ik niet echt het gevoel dat er iets heel speciaals aan Utrecht is. De UU is over de hele linie goed en heeft een aantal uitschieters, maar dat geldt eigenlijk voor elke universiteit. Het punt is echter dat we, doordat de UU zo breed is, op relatief veel gebieden de top in huis hebben. Vandaar ook dat zoveel hoogleraren Utrecht in het Elsevier-onderzoek als beste aanwijzen. Hoe groter de pool jonge onderzoekers waaruit je kunt kiezen, des te meer kans op talent."

"Dat mag wel waar zijn", reageert Cornelissen, "maar in mijn beleving zijn als gevolg van het beleid in de afgelopen jaren inmiddels alle zwakke groepen uit Utrecht vertrokken. Wij hebben hier nu een hoogvlakte met pieken en dat is echt een verschil met de meeste andere Nederlandse universiteiten."

Dat het antwoord op de vraag of er in Utrecht sprake is van een researchklimaat sterk afhangt van de positie van de onderzoeker, blijkt uit de reactie van hoogleraar Volkenrecht Wouter Werner, die de UU in 2005 verruilde voor de VU. "Ik heb van 1999 tot 2005 in Utrecht als ud en als uhd gewerkt en een aantal van de genoemde pluspunten van de UU, zoals het High Potential Programma en de breedte van de faculteit die ruimte biedt voor specialisatie, kan ik zonder meer onderschrijven. Ik had echter de pech dat in mijn Utrechtse tijd de bama werd ingevoerd, waardoor er een paar jaar lang nauwelijks tijd overbleef voor onderzoek. Wat mij met name stoorde, was dat er geen enkele ruimte was voor kanttekeningen bij de nieuwe onderwijsideologie. Kritische geluiden waren niet welkom. Ook aan de VU vindt nu een vernieuwing van het onderwijs plaats, maar hier houdt men veel meer rekening met de belasting van docenten en onderzoekers en zijn onderwijs en onderzoek veel directer aan elkaar gekoppeld."

Erfvijand achter Woerden

Net als De Boer en Werner relativeren ook anderen de gedachte dat Utrecht over de hele linie zoveel beter zou zijn dan andere Nederlandse universiteiten. "Binnen Nederland vind ik de verschillen tussen de universiteiten die ik ken, niet heel erg groot", zegt universiteitshoogleraar Herman Philipse. "In Utrecht wordt wel heel erg geschermd met de Sjanghai-ranglijst, en gezien onze hoge positie kan ik me dat ook wel voorstellen, maar we moeten niet vergeten dat een recente Nobelprijswinnaar op die lijst voor een enorme impact zorgt. Als Gerard 't Hooft hier toevallig niet werkte, dan zou Utrecht op die lijst waarschijnlijk niet veel hoger dan Leiden eindigen."

Historicus Maarten Prak onderschrijft deze laatste relativering van Philipse, maar denkt wel dat Utrecht het in de gebieden die hij kan overzien, gemiddeld beter doet dan de rest van Nederland. "Volgens mij heeft Jan Veldhuis een positieve bijdrage geleverd door steeds hard te roepen: wij doen het goed in Utrecht. Dat was nodig want de Utrechtse mentaliteit was vanouds: 'laat maar zitten, het wordt

toch nooit wat met ons'." Met name waar het de vergelijking met Leiden, de erfvijand van de UU 'achter Woerden' betreft, onderschrijft Prak de stelling dat de UU het goed doet. "Ik denk dat wij in Utrecht altijd iets minder naast onze schoenen hebben gelopen dan sommige van onze collega's in Leiden. Wij hebben nog het gevoel dat we er iets voor moeten doen. Dat stimuleert prestaties."

Prak wordt bijgevallen door verschillende andere geïnterviewden. "Alhoewel ik er met veel plezier werkte, was Leiden destijds nogal naar binnen gekeerd, waardoor nieuwe ideeën er niet zo snel een kans kregen", bevestigt jurist Ton Hol. "Toen ik in Utrecht kwam, vond ik het hier allemaal nogal bureaucratisch, maar al snel merkte ik dat de keerzijde daarvan is dat er duidelijkheid bestaat. En men staat open voor verandering."

Herman Philipse was voor zijn komst naar Utrecht decaan van de faculteit Wijsbegeerte in Leiden en ook hij heeft daar altijd met plezier gewerkt, maar zegt hij, "men heeft er wel sterk de neiging om zichzelf op de borst te kloppen: wij zijn de oudsten en de besten. Dat is niet goed, zo'n instelling maakt lui."

Een andere universiteitshoogleraar, Frits van Oostrom, zei het in 2001 bij zijn geruchtmakende overstap van Leiden naar Utrecht in het Ublad als volgt. "Leiden is een liberale universiteit in de beste zin van het woord. Maar dat liberalisme kan iets laks krijgen: Niets aan de hand, wij zijn Leiden, wij gaan al een eeuwigheid mee en dat blijft ook zo. Ik houd ervan om met enige regelmaat iets nieuws op touw te zetten, te experimenteren met iets tegendraads. De UU ook: ze heeft het 'University College' opgezet, een initiatief dat toen flink tegen de tijdgeest in ging. In het ontwikkelingsplan van de UU heerst, voor de begrippen van het genre, een weldadige nuchterheid. En zelfs enig calvinisme: woekeren met je talenten in het zweet des aanschijns. Hoewel ik geen calvinist ben, spreekt dat ethos mij wel aan."

Of het nu aan dat ethos ligt of aan iets anders, feit is dat zijn overstap naar de UU voor voetballiefhebber Sjaak Brinkkemper in 2003 aanvoelde als de transfer naar een topclub, waar excelleren de norm is. "Dat is mede te danken aan de kapittelavonden van de rector, waar je echt het gevoel krijgt dat je deel uitmaakt van een hooglerarencorps dat ertoe doet. Ik weet nog goed hoe ik na het uitspreken van mijn oratie in de Senaatszaal stond te recipiëren. Vanaf de muren keken de portretten van mijn voorgangers met hun minzame glimlachjes op mij neer. Nou Brinkkemper, dacht ik, je denkt nu wel dat je wat voorstelt, maar je zult nog heel wat moeten presteren wil je hier ooit tussen komen te hangen."

Dit artikel verscheen eerder in bewerkte vorm in het alumniblad Illuster

Erik Hardeman

Verschenen op 14-06-2007 in Ublad 31 (38).