wetenschap
Borstonderzoek
Bij borstonderzoek wordt behalve naar de mogelijke aanwezigheid van een tumor ook gekeken naar de verhouding tussen klierweefsel en vetweefsel. Aangenomen wordt namelijk dat een relatief hoog percentage klierweefsel een risicofactor vormt voor het ontstaan van borstkanker. Uit een studie bij een groot aantal vrouwen concludeert onderzoeker Gerco Haars nu echter dat vermoedelijk ook de absolute hoeveelheden van beide soorten weefsel een rol spelen bij het ontstaan van tumoren. Als uit nader onderzoek inderdaad blijkt dat meer vet in de borst het risico op borstkanker vergroot, biedt dat meer mogelijkheden voor preventie omdat de hoeveelheid vet makkelijker is te beïnvloeden dan de hoeveelheid klierweefsel, aldus Haars. In het proefschrift A new look at breast density and breast cancer risk, waarop hij op 9 september promoveerde, doet hij de aanbeveling om in de toekomst bij borstonderzoek de hoeveelheid klierweefsel en vetweefsel apart van elkaar te berekenen.
Betere chemotherapie
Een ongewenste bijwerking van chemotherapie is dat de te bestrijden tumor soms juist harder gaat groeien. Uit onderzoek van de Utrechtse oncoloog Emile Voest blijkt nu dat dat komt doordat de toegediende chemische stoffen het beenmerg van de patiënt activeren. Dat gaat daardoor zogeheten voorlopercellen produceren, die elders in het lichaam en dus ook in de buurt van de te bestrijden tumor bloedvaten vormen die de tumorgroei bevorderen. Voest publiceerde zijn samen met Utrechtse en Canadese collega's gedane ontdekking deze week in het blad Cancer Cell. Bij het zoeken naar oplossingen slaagden de onderzoekers er bij muizen in om de activiteit van het beenmerg te blokkeren met een middel dat de groei van bloedvaten tegengaat. Zij hopen dat dit resultaat de basis kan vormen voor een therapie die de effectiviteit van chemotherapie bij kankerpatiënten helpt vergroten.
Magnetische koeien
Tijdens fietstochten langs weilanden kom je er waarschijnlijk niet snel achter, maar toen onderzoekster Sabine Begall van de Universiteit van Duisburg via Google Earth naar het landschap keek, viel haar op dat grazende koeien op de luchtfoto's vaak als kompasnaalden in noord-zuid richting stonden. Kon dat toeval zijn, vroeg zij zich af. Uit een diepgaander analyse van beelden van 8510 koeien in 308 weilanden, verspreid over zes werelddelen, concludeert zij nu in Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) dat er sprake is van een duidelijk noord-zuid patroon. Dat het aardmagnetisme een rol speelt, wordt bevestigd door het feit dat grazende koeien zich op hoge breedtegraden niet naar de echte maar naar de magnetische pool richten. De vraag of de polen de dieren aantrekken of afstoten kon Begall niet beantwoorden. Op Google was niet te zien waar hun kop zat en waar hun staart.
Verschenen op 11-09-2008 in Ublad 2 (40).