'Scherpe denkers kom ik in Nederland helaas weinig tegen'
'Scherpe denkers kom ik in Nederland helaas weinig tegen'
Herman Philipse en zijn afkeer van intellectuele oneerlijkheid en vaag geleuter
Vorig studiejaar trok hij volle zalen met acht Studium Generale lezingen. Hij is columnnist van het TV-programma Buitenhof, lid van het 'filosofisch elftal' van Trouw en kruist de degens over allochtonen en de islam bii voorkeur in NRC Handelsblad. Voor alles is universiteitshoogleraar Herman Philipse echter filosoof, Portret van 'een scherpzinnig en ironisch analyticus, die intensief patrouilleert langs de grenzen van de rede'.
Erik Hardeman
Na een lange Leidse loopbaan koos filosoof Herman Philipse een jaar geleden tot veler verrassing voor een overstap naar Utrecht. Op het eerste oog een merkwaardige keuze, want met zijn ongezouten meningen lijkt hij niet echt te passen in de calvinistische Utrechtse sfeer van 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg'. Op weg naar de koffieautomaat in het Bestuursgebouw bezingt Philipse echter in alle toonaarden de lof van zijn nieuwe omgeving. "Ik vind het juist préttig dat de mensen en met name de bestuurders hier zo gewoon en ongedwongen met elkaar omgaan."
Niet dat hij ooit naar Utrecht zal verhuizen. De Amsterdamse Concertgebouwbuurt vormt al jaren de natuurlijke biotoop van de flamboyante levensgenieter. Maar zelfs in Oud-Zuid vertoeft hij maar een deel van het jaar. 'Nederland is een fantastisch land mits je een deel van het jaar in het buitenland kunt wonen' is één van zijn talloze oneliners. "Ik heb ja gezegd tegen Utrecht op voorwaarde dat ik twee maanden per jaar les mocht blijven geven in Oxford. Ik doe dat al jaren. Ik woon daar in St. John's College en ik neem deel aan het universitaire leven in één van de twee beste universiteiten van Engeland. Ik vind dat helemaal geweldig. Ze hoeven me niks te betalen, ik doe het puur voor de lol."
Jongensachtig, uitdagend en een tikkeltje corporaal. Met Philipse heeft Utrecht niet alleen een filosoof van naam in huis gehaald, maar ook een onvermoeibaar debater die de confrontatie niet schuwt. "Ik vind het niet interessant om een boek te schrijven als er geen polemische kant aan zit. Dat ligt kennelijk in mijn karakter." Al jaren verkeert hij op voet van oorlog met het meer orthodoxe deel van de Nederlandse gelovigen en vorig jaar baarde hij in NRC Handelsblad opzien met een vlammend pleidooi voor een hardere aanpak van buitenlanders en een verbod op moslimscholen. De laconieke Nederlandse houding tegenover de integratie van allochtonen zit hem hoog, bevestigt hij.
"Ik vind het een drama dat veel allochtonen zich zo in hun eigen cultuur blijven opsluiten. Maatschappelijk gezien is dat slecht, omdat het leidt tot onverschilligheid voor wat er buiten de eigen groep gebeurt. Daardoor passen ze zich niet aan en dus zijn ze niet succesvol en dus worden ze gefrustreerd en dus worden ze reactionair. Dat is gevaarlijk. Maar ook moreel gezien is die afzijdigheid een probleem. Het lijkt zo tolerant van ons om te pleiten voor een multiculturele samenleving. Maar in feite betekent het dat je accepteert dat fundamentele rechten die bij ons gemeengoed zijn, aan mensen en vooral aan vrouwen uit andere culturen onthouden worden. Dat je het best vindt dat moslimvrouwen worden besneden of uitgehuwelijkt. Ik heb een tijd een meisje uit Marokko in huis gehad, die gevlucht was voor haar ouders. Zo iemand staat in het tolerante Nederland totaal in de kou. Schandelijk vind ik dat, absoluut immoreel."
We moeten in Nederland af van onze softe benadering en buitenlanders duidelijke eisen stellen, betoogde hij vorig jaar in NRC Handelsblad. "Sommige mensen zeggen dan: 'ja, maar het kost tijd voordat die gemeenschappen zo ver zijn'. Onzin. We moeten ze door elkaar schudden en zorgen dat ze de normen die wij essentieel achten voor een democratische samenleving zo snel mogelijk overnemen. Daar hoort ook bij dat je de taal spreekt. Begrijp me goed, ik ben niet tegen tweetaligheid. Als ze thuis of in de moskee hun eigen taal willen spreken, niets op tegen. Mits ze op de werkvloer en in het openbare leven maar met Nederlands uit de voeten kunnen.
"Maar wat doen wij? Toen ik indertijd na vijf jaar buitenland terugkwam in Amsterdam, hingen er bordjes in de tram met opschriften in het Turks en het Marokkaans. Ik wist niet wat ik zag. Zo leer je mensen toch niet om weerbaar te worden? Met alleen kennis van hun eigen taal redden ze het hier echt niet, <CharStyle:bod/italic>forget it<CharStyle:>. Dus met die bordjes dupeer je ze alleen maar. Ze zorgen maar dat ze Nederlands leren, als ze willen begrijpen wat er staat. Dat ze dat niet kunnen omdat ze analfabeet zijn? Nonsens. Iedereen kan dat."
Moslims
Bij zijn eerste optreden in Buitenhof pleitte hij anderhalve week geleden tegen toelating van Turkije in de Europese Unie. Met name de kans dat dat land ooit verandert in een islamitische staat benauwt hem. Al eerder maakte hij duidelijk niet veel op te hebben met de agressieve teneur van de koran, een opvatting die hem op de beschuldiging van 'islamofoob' kwam te staan. Zijn weerwoord in een interview was dit voorjaar een schoolvoorbeeld van Philipsiaanse logica. "Als iemand in een oerwoud loopt en hij weet dat daar veel tijgers rondlopen, ga je toch niet zeggen dat zo iemand een tijgerfobie heeft?
Philipse: "Ik maak me zo druk over de islam omdat ik niet veel op heb met een godsdienst waarvan het heilige boek oproept tot het, desnoods met geweld, vestigen van een theocratie. Ach, zegt men dan, zo'n vaart zal het in de praktijk niet lopen, maar het idee dat de koran letterlijk het woord gods is, leeft helaas ook bij veel liberale moslims. Natuurlijk zijn er genoeg vredelievende islamieten, maar je hebt ook die hele rechtervleugel, die het geen punt vindt als voor de goede zaak af en toe wat mensen over de kling worden gejaagd. Zolang de islam niet wereldwijd het geweld afzweert, moeten wij erg oppassen.
"Een netelige vraag in dit verband is of op de gewelddadige vleugels binnen de islam wel onze vrijheid van godsdienst van toepassing is. In een democratie passen geen bewegingen die geweld prediken of die zeggen: wij gebruiken de democratie zolang zij onze doeleinden dient en als we de macht hebben, schaffen we hem af. Maar dat zeggen sommige moslims nu juist wel. De vraag in hoeverre godsdienstvrijheid ook voor hen geldt, zullen we heel goed moeten doordenken. We moeten daar ook helder in durven zijn, maar dat vinden we in Nederland niet zo gemakkelijk. Ik kan daar slecht tegen. Liever een helder standpunt waar iedereen over heen valt, dan vaag geleuter."
Atheïsme
Klare taal van een filosoof, die ook op andere terreinen geen blad voor de mond neemt. Al tijdens zijn Leidse studententijd publiceerde hij in de krant over de kernenergiediscussie. Landelijke bekendheid verwierf hij in 1995 toen drie essays van zijn hand werden gebundeld in een boekje met de provocerende titel 'Atheïstisch manifest'. Dit jaar verscheen een, met nieuwe artikelen aangevulde, herdruk van dat boek. Daarin beargumenteert Philipse met analytische precisie dat als gelovigen er al in slagen om aan het woordje 'god' een welomschreven betekenis te geven, het hoogst onwaarschijnlijk is dat er zo'n god bestaat en dat het dus niet erg logisch is om in die god te geloven.
"Voordat ik dat Pamflet schreef, had ik me nooit over godsdienst uitgelaten. Het sprak voor mij zo vanzelf dat je niet geloofde dat ik er nooit bij had stilgestaan. Mijn geliefde Leidse collega Arend van Haersolte, die afkomstig is uit de Overijsselse landadel, vertelde me hoe hij als jongetje een keer bij mensen logeerde die naar de kerk gingen. 'De kerk', had hij toen verbaasd gezegd, 'ik dacht dat die er alleen voor dienstbodes was.' Ik vond dat heel grappig. Niet dat ik een atheïstische achtergrond heb. Mijn ouders waren wel godsdienstig, maar op een heel liberale manier. Mijn vader was hervormd, mijn moeder remonstrants. Af en toe gingen wij naar de kerk, maar er was geen enkele verplichting. We hoorden thuis net zo veel over het christendom als over de Mithras-godsdienst, over Zoroaster en noem ze allemaal maar op. Interessant genoeg is mijn zusje dominee geworden, maar ikzelf heb nooit enige behoefte gevoeld om ergens in te geloven, werkelijk helemaal nooit."
Zijn onverschilligheid veranderde in ergernis toen minister Hirsch Ballin van Justitie in 1994 schreef dat de kerken de overheid een handje moesten helpen bij de wetshandhaving. "Toen ik dat las, dacht ik: 'ho, ho, als hij zoiets zegt, is er iets grondig mis met zijn besef van de taakverdeling in een democratische staat'. Ik sluit niet uit dat godsdiensten in een bepaald ontwikkelingsstadium van de mensheid essentiële instrumenten waren om te zorgen dat mensen aan de wet gehoorzaamden, maar in een democratie met zijn scheiding tussen kerk en staat, kan zoiets absoluut niet door gezagsdragers als argument naar voren gebracht worden. Ik was zo geërgerd dat ik een stuk in de krant heb geschreven en mijn uitgever, die een scherpe neus heeft voor wat goed in de markt ligt, heeft mij toen opgejut om dat boekje te schrijven."
Hij weet nog hoe verbaasd hij was over de stroom van kritiek die daarna loskwam. Lachend: "Heel naïef van me, maar ik had echt gedacht dat de meeste mensen zouden zeggen: 'ja, nee, groot gelijk zeg.' Nou vond ik het niet erg dat veel recensies kritisch waren, maar met name uit gelovige hoek waren ze ook heel oneerlijk. Ik werd verkeerd geciteerd, er werden woorden van me verdraaid, alles werd erbij gehaald om mij te vloeren. Ik dacht: wat krijgen we nou? Kennelijk is Nederland in religieus opzicht veel minder geëmancipeerd dan ik altijd heb gedacht. Toen begon ik er lol in te krijgen om mijn opponenten een beetje te pesten."
Argumenten
Wat hem vooral stoorde was het ontbreken van argumenten. "Als filosoof zie ik maar al te goed, dat je tegen mijn redenering het een en ander kunt inbrengen." Hij zucht. "Deden ze dat maar, want ik discussieer liever met scherpe denkers die me kunnen verslaan dan met mensen die geen weerwoord hebben. Ik hoef echt niet te winnen, ik wil weten hoe het zit. Maar scherpe denkers kom ik in Nederland helaas weinig tegen. Ik heb mijn verhaal ooit in Oxford gehouden voor de Ockham-society, een club van promovendi, hartstikke slimme kereltjes die niets liever willen dan jou inmaken. Die kwamen wél met een aantal uitdagende tegenargumenten. Net als mijn Engelse collega Richard Swinburne, een ongekend scherp debater, die een boek heeft geschreven waarin hij onder meer met gebruikmaking van de Bayesiaanse waarschijnlijkheidsleer betoogt dat er waarschijnlijk wél een god bestaat. Ik verzorg op dit moment bij de theologen een seminar over godsdienstfilosofie en daar komt Swinburne binnenkort debatteren. Ik verheug me daarop, want ik werk graag samen met intelligente mensen met wie ik het pertinent oneens ben. We zien dan vanzelf wel wie de beste argumenten heeft."
Wat hem ook aan christenen ergert, is dat ze zo slecht overweg kunnen met kritiek. "Kijk maar naar de evolutietheorie, toch een keihard argument tegen het scheppingsverhaal. Dat zien zij zelf ook wel, maar denk maar niet dat ze dan hun ongelijk erkennen en hun theorie verwerpen. Nee hoor, dan veranderen ze hem een beetje. Eerst had God alle soorten vrijwel tegelijk geschapen, maar toen dat niet was vol te houden omdat Darwin een veel betere verklaring had, had God opeens de evolutie gewild. Dat is toch van een daverende oneerlijkheid? Mijn probleem met religie is niet alleen dat het waarschijnlijk onwaar is of zinloos, wat er wordt beweerd, mijn probleem is vooral dat ze nooit eens willen toegeven dat ze ongelijk hebben. Daar kan ik me over opwinden. Ik vind dat in strijd met de intellectuele integriteit."
Ooit pleitte Philipse bij de toenmalige minister Ritzen voor het privatiseren van de theologische faculteiten. Niet dat hij godsdienstwetenschap geen belangrijk vak vindt, maar zolang het beoefend wordt door gelovigen, zoals dat in ons land het geval is, is het wat hem betreft vaak geen wetenschap. "In Leiden is onlangs een hoogleraar godsdienstpsychologie benoemd, die gaat onderzoeken hoe mensen in een therapeutische setting geholpen kunnen worden door godsdienst. Heel zinnig onderzoek, want mensen met problemen kunnen gebaat zijn bij allerlei illusies, dus waarom niet bij godsdienst. Waar ik bezwaar tegen maak, is dat hij dat doet als gelovige die het gebruik van religie wil propageren. Dat kan toch niet? Stel dat hij vindt dat het voor geen meter werkt. Dacht je dat hij dat dan gaat opschrijven? Zulk onderzoek hoort door een klinisch psycholoog te worden uitgevoerd. Wat mij betreft kunnen religieuze verschijnselen alleen op een wetenschappelijk verantwoorde manier worden bestudeerd binnen vakwetenschappen. De godsdienstwetenschap is een te kostbare discipline om over te laten aan theologische faculteiten."
Filosofie
Christenen, moslims, godsdienstwetenschappers, wie heeft Philipse eigenlijk niet tegen zich in het harnas gejaagd? Hij geeft toe dat hij het vaak niet kan laten om te provoceren, uit te dagen, de randen op te zoeken. Maar, waarschuwt hij, wel altijd in het teken van het debat. En dat debat heeft op zijn beurt maar één doel: het zoeken naar de waarheid. Want hoezeer hij ook mag genieten van zijn vele rollen, voor alles is hij een filosoof die zich geen leven zonder de filosofie kan voorstellen.
"In alles wat ik doe, blijf ik gemotiveerd vanuit het vak. De filosofie is de motor van mijn intellectuele ontwikkeling. Wat filosofie is? Voor mij is het allereerst het zoeken naar conceptuele scherpte, naar geldige argumentaties. Filosofie kan bij gebrek aan empirische methoden geen nieuwe kennis genereren over de wereld om ons heen. Dat is een taak voor de vakwetenschappen. Maar wat filosofen wel kunnen doen is de vraag stellen wat die vakwetenschappers precies bedoelen met wat ze zeggen. Wat bedoelen natuurkundigen bijvoorbeeld als ze zeggen dat de ruimte gekromd is?"
In een artikel in Trouw werd hij ooit omschreven als 'de scherpzinnige en ironische analyticus, die langs de grenzen van de rede patrouilleert en hoofdschuddend het geklauter gadeslaat van theologen en andere dwaallichten die over het hek klimmen.' Belangrijk werk, vindt hij. "Wetenschappers doen heel goed onderzoek, maar beweren daar dan soms grote onzin over. Een filosoof zegt dan: hallo, hier worden wel heel veel redeneerfouten gemaakt. Laten we nou eens precies kijken wat de man zegt en wat hij bedoelt. Eén van de leukste dingen die ik heb gedaan, was logica geven aan juristen. Juristen denken vaak dat ze heel scherp argumenteren, maar dat valt in de praktijk soms erg tegen."
Ook collega-filosofen ontsnappen niet aan zijn scherpe blik. Zes jaar geleden verscheen zijn 'magnum opus', een pil van ruim 500 bladzijden over de Duitse filosoof Martin Heidegger. Ook dat boek deed het nodige stof opwaaien, want Philipse liet haarscherp zien dat diens filosofie in het licht van tegenargumenten niet is vol te houden. Veel recensenten waren 'not amused', "maar ja", zegt hij, "dat waren dan ook gelovige Heideggerianen."
Dat hij nog eens zo'n omvangrijk boek zal schrijven acht hij niet waarschijnlijk. "Ik heb me toen vijf jaar helemaal te pletter gewerkt, ik zat vaak tien uur per dag of meer achter mijn bureau. Ik moest pakweg 40.000 pagina's grondtekst van Heidegger zelf doorwerken plus een grote hoeveelheid secundaire literatuur. Dat was echt een immense klus. Zoiets doe je maar één maal in je leven.
"Ik wil dat niet meer, maar ik zou het nu ook niet meer kunnen. Ik was op dat moment getrouwd en het is nu eenmaal zo dat een goed huwelijk je emotionele leven voor een heel groot deel bevredigt. Mijn vrouw, Hendrickje Spoor, schreef beneden romans en ik zat boven dat boek te schrijven en daar had ik genoeg aan. Inmiddels ben ik gescheiden en ik heb gemerkt dat ik de ascese die nodig is om zo'n immense onderneming tot een goed eind te brengen, als vrijgezel niet kan opbrengen. Als ik overdag heb zitten werken, moet ik 's avonds de deur uit, mensen zien. Anders zou ik gek worden."
Risico's
Vorig jaar had hij een kortstondige relatie met Ayaan Hirsi Ali.. "Wij zijn nog steeds heel goede vrienden. Wat ik in haar bewonder, is niet alleen dat zij slim, moedig en genereus is, maar ook dat ze niet bang is om haar vingers te branden aan heldere standpunten. Daar kunnen veel andere politici een voorbeeld aan nemen." Heeft hij zelf eigenlijk nooit een politieke carrière geambieerd? Hij kijkt verbaasd. "Ik in de politiek? Nee, ik ben niet goed in het Haagse 'plotten' en 'schemen', maar ik heb ook de ambitie niet. En trouwens, ik ben volstrekt partijloos . Ik ben bijna een principiële floating voter.
"Door mijn opstelling in het integratiedebat en omdat ik Bolkenstein wel eens de enige Nederlandse politicus van intellectueel niveau heb genoemd, word ik soms voor rechts versleten. Maar op milieugebied ben ik dat zeker niet. Ik heb me indertijd bijvoorbeeld erg opgewonden over de plannen voor de kernreactor bij Kalkar. Ik ben niet tegen kernenergie, maar ik vond het waanzin om zo'n grote reactor neer te zetten in zo'n dichtbevolkt gebied. Ik heb in die tijd eindeloos geld gegeven voor die ene Duitse boer die namens de goegemeente als belanghebbende in het Nederlands recht mocht procederen." Hij lacht. "En we hebben gewonnen."
Hate-mails krijgt hij zelden. Niet verwonderlijk voor iemand die vooral in NRC en Trouw publiceert. Nu hij in Buitenhof optreedt, zou dat kunnen veranderen, maar dat ziet hij dan wel weer. "Bolkenstein heeft ooit gezegd: democratie is niet voor bange mensen. Daar ben ik het volledig mee eens. Ik ga geen onnodige risico's lopen, maar bang krijg je me niet snel. Ik was vroeger alpinist. Het kon mij niet gevaarlijk genoeg zijn. Ik vond het leuk om op een ijsgraatje te lopen met aan beide kanten en afgrond van 2000 meter. Eén misstap en je was dood. Dat had iets. Ik ben ook een keer naar beneden gevallen. Mijn enkel verbrijzeld. Tja, dat is het risico van het vak."
Terugkijkend op zijn loopbaan is Herman Philipse zichtbaar tevreden. Als hij hoorde wat sommige van zijn jaarclubvriendjes verdienden, voelde hij wel eens een 'lichte financiële frustratie', bekent hij. "Ik heb in mijn studietijd overwogen om in de advocatuur te gaan of om diplomaat te worden. Als ik dan later hoorde wat advocaten verdienden, vroeg ik me wel eens af of ik niet de verkeerde keuze had gemaakt. Maar dat gevoel is verdwenen, zeker nu ik universiteitshoogleraar ben. Nu zie ik de andere kant van de medaille. Veel van mijn vrienden zijn midden vijftig, die zijn al gestopt met werken of ze zijn aan het afbouwen. Ik discussieer intussen met de meest interessante collega's en heb elke week een groot aantal enthousiaste jonge mensen om me heen. Dat is waanzinnig inspirerend. Ik begin nu pas goed te merken hoe bevoorrecht je bent in een universitaire omgeving. Ik kan hier nog jaren vooruit."
Verschenen op 30-09-2004 in Ublad 4 (36).


