Hoogleraar medische onderwijskunde noemt overgang naar nieuw curriculum reuzensprong

Hoogleraar medische onderwijskunde noemt overgang naar nieuw curriculum reuzensprong

De 235 medische studenten die vorige week in Utrecht met de studie zijn begonnen, hebben waarschijnlijk nauwelijks in de gaten hoe revolutionair hun nieuwe curriculum is. Een reuzensprong noemde de nieuwe hoogleraar medische onderwijskunde prof.dr. T. ten Cate in zijn dinsdag uitgesproken oratie de overgang naar een opleiding waarin praktijk en theorie van meet af zijn geïntegreerd.

"Stelt u zich het traditionele zesjarige medische curriculum voor als een ladder met zes sporten naar het artsexamen. De student doet zijn best met zware bepakking naar boven te klimmen, maar krijgt het einddoel voorlopig niet te zien. Hij krijgt wel de opdracht om bij iedere sport de bagage verder aan te vullen, maar de meeste instructeurs leggen niet uit waarvoor die bagage nodig is. Na de vierde sport - het doctoraalexamen - komt de student aan bij het ziekenhuis. En daar merkt hij tot zijn schrik dat hij de verkeerde bagage bij zich heeft. En er is geen weg terug."

Hoewel op vriendelijke toon uitgesproken, had Ten Cate niet kritischer kunnen zijn over de in zijn ogen volstrekt ontoereikende manier waarop de Nederlandse medische faculteiten generaties studenten tot arts hebben opgeleid. Dat het nieuwe Utrechtse curriculum met zijn patiënt-geöriënteerde aanpak en met zijn nadruk op praktisch onderwijs de onlangs benoemde directeur van het Onderwijsinstituut uit het hart is gegrepen, behoeft dan ook geen betoog.

De oratie van Ten Cate, die niet toevallig samenviel met de start van het nieuwe onderwijsprogramma, was één lang pleidooi voor een voortzetting van de radicale vernieuwing waarmee de Utrechtse medici zo voortvarend van start zijn gegaan. Want hoe mooi het nieuwe onderwijsprogramma er ook uit mag zien, we zijn er nog lang niet, betoogde Ten Cate, die duidelijk maakte niet van plan te zijn zich te beperken tot 'geruststellende studies die een visitatiecommissie bewijzen dat het in Utrecht allemaal de goede kant op gaat'.

Topviolist

Centraal in de onderwijskundige visie van de nieuwe hoogleraar staat de gedachte dat studenten op de universiteit niet zozeer kennis moeten consumeren, maar dat zij er kennis komen construeren. Niet de docent maar de student zelf bepaalt wat hij uiteindelijk leert. Dat maakt dat de beroepsopleiding die de geneeskundestudie is, wel degelijk ook als een wetenschappelijke opleiding moet worden beschouwd. Met de docent als gids moeten studenten de werkelijkheid ontdekken, maar dat lukt alleen als zij vanmeet af aan in het diepe worden gegooid, zoals in Utrecht onder meer gaat gebeuren door de introductie van probleemgestuurd onderwijs en door vroegtijdig contact met patiënten. Ten Cate: "Kort samengevat kan men zeggen dat waar in traditioneel onderwijs geldt: eerst begrijpen, dan doen, die volgorde in het nieuwe onderwijs soms wordt omgedraaid: eerst doen, dan begrijpen."

Om een goede dokter te worden moeten studenten bovendien al in een vroeg stadium oefenen, oefenen en nog eens oefenen, stelde Ten Cate, die de artsen de keiharde studie van een topviolist ten voorbeeld stelde: "Pas oefening baart echte kunst. In sommige opleidingen behoort oefening vanzelfsprekend tot de kern van de opleiding. Er wordt geschat dat de beste vioolstudenten op 20-jarige leeftijd al tienduizend uur oefening achter de rug hebben. Dat is evenveel als de hele normstudielast van de artsopleiding. Talent lijkt veel meer van context en oefening afhankelijk te zijn dan van de genen. Ook voor talent in de geneeskunde is veel ervaring en oefening nodig, met veel realistische praktijksituaties die prikkelen tot nadenken."

Het spreekt na deze woorden voor zich dat het goede oude hoorcollege op weinig sympathie van Ten Cate kan rekenen. Cynisch constateerde hij dat die vorm van kennisoverdracht tot aan de uitvinding van de boekdrukkunst wellicht redelijk efficiënt was, maar dat er sindsdien toch wel het nodige veranderd is. "Toch blijft menig docent hechten aan het college, eenvoudig omdat men niet anders weet. In een traditionele medische opleiding zit de student voordat hij de kliniek in gaat, twee- tot drieduizend uur in een collegezaal te luisteren. Verbaast het u dan nog dat hij met twee linkerhanden aan het ziekbed staat? Ik kan u verzekeren dat deze student na vier jaar expert is in het volgen van hoorcolleges. Jammer alleen dat die vaardigheid voor de patiëntenzorg vrijwel nutteloos is."

Het zal niemand verbazen dat Ten Cate ook pleitte voor meer waardering voor een loopbaan als docent. Opmerkelijker was zijn oproep om het niet langer te hebben over studenten die medicijnen studeren. Die term stamt namelijk uit de tijd dat er nog twee soorten doktoren bestonden. Universitair gevormde artsen hadden weliswaar veel theoretische kennis, maar tot de helft van de vorige eeuw ging je eigenlijk alleen naar ze toe als je medicijnen nodig had. Wie echt geholpen wilde worden, ging liever naar de chirurgijn op de markt. Behalve knippen, scheren en wonden verbinden kon deze in de praktijk van zijn gilde gevormde kleine zelfstandige ook kiezen trekken, aderlaten en schedels lichten. Hoewel de twee opleidingen in 1865 werden gecombineerd tot een moderne artsenopleiding, bleef de term medicijnen studeren in zwang. Nu de Utrechtse opleiding zich na bijna 135 jaar eindelijk tot de praktijk heeft bekeerd, wordt het tijd om dit rudiment uit een ververleden ten grave te dragen, aldus ten Cate, die zei de term medicijnen studeren graag aan de Utrechtse farmaceuten cadeau te willen doen.

Erik Hardeman

Verschenen op 09-09-1999 in U-blad 3 (31).